Het sociale brein van de puber

Vier jaar na de verschijning van haar boek ‘Het puberende brein’ bracht Eveline Crone onlangs haar nieuwe boek uit: ‘Het sociale brein van de puber’. Al lezend wordt duidelijk hoe snel het vakgebied zich ontwikkelt en hoeveel moois we kunnen leren van de hersenwetenschap over het gedrag van jongeren.

Eveline Crone is hoogleraar neurocognitieve ontwikkelingspsychologie in Leiden en leidt daar het Brain and Development Lab. Waar het vorige boek meer in het algemeen in ging op de hersenontwikkeling van kinderen en jongeren, ligt de focus in dit boek op het sociale brein. Daarmee worden alle processen die te maken hebben met kennis over anderen of relaties tot anderen bedoeld. Crone wil laten zien dat juist de sociale ontwikkeling belangrijk is voor het opgroeien tot volwassen deelnemer aan de maatschappij.

In het begin van het boek behandelt ze diverse theorieën uit de ontwikkelingspsychologie. Het wordt interessant als ze laat zien wat recent uit hersenonderzoek bekend is geworden. Zo reageren jongeren emotioneel heftiger op gezichtsuitdrukkingen dan volwassenen. Bij boze gezichtsuitdrukkingen is de amygdala extra actief; bij blije gezichten reageert het striatum heftiger. Denk hierbij bijvoorbeeld aan meiden die elkaar aankijken en niet meer kunnen ophouden met de slappe lach. Jongeren reageren daarnaast sterker op sociale uitsluiting en sociale acceptatie. Volwassenen reageren ook heftig als ze zich voelen buitengesloten, maar doordat hun prefrontale cortex verder is ontwikkeld, kunnen ze hier rationeel beter mee omgaan.

Zelfbeeld in de hersenen

Voor ons werkveld jongerencommunicatie is het interessant wat Crone schrijft over hersendelen die actief zijn als jongeren over zichzelf nadenken. Zo zeggen we vaak dat ouders heel belangrijk zijn bij schoolse thema’s als studie- en beroepskeuze en schoolprestaties, waarbij vrienden eerder belangrijk zijn waar het gaat om bijvoorbeeld je sociale positie in de groep. Onderzoek met MRI-scans bevestigen dit. Zo noemt ze onderzoek waarin men jongeren vraagt na te denken over hun eigen academische vaardigheden (bv met stellingen als ‘ik ben goed in taal’) en hen vraagt hierop te reflecteren vanuit het perspectief van anderen. Dan blijkt dat het brein sterker reageert als adolescenten vanuit het perspectief van hun moeder nadenken over academische vaardigheden, terwijl dit niet gebeurt als ze vanuit vriendenperspectief hierover nadenken.

Het omgekeerde effect treedt op als je jongeren vraagt na te denken over hun sociale vaardigheden; de mediale prefrontale cortex wordt actiever als jongeren vanuit het perspectief van een vriend nadenken over hun eigen sociale vaardigheden (‘ik heb veel vrienden’, en dit effect treedt niet op als ze vanuit dat vriendenperspectief nadenken over academische vaardigheden.

Ironie

Ironie of sarcasme, dat veel volwassenenhumor kenmerkt, gaan jongeren pas tijdens de adolescentie begrijpen. Ironie vergt het nemen van perspectief; je moet je verplaatsen in de gedachten van een ander persoon en de context waarin hij/zij die opmerking maakt.

Hersenwetenschappers hebben onderzocht of het begrijpen van ironie bij jongeren anders werkt dan bij volwassenen. Bij adolescenten is de mediale prefrontale cortex actiever; het hersengebied dat belangrijk is voor nadenken over jezelf in relatie tot anderen. Een mogelijke verklaring is dat het begrip van ironie bij volwassenen zo automatisch gaat dat ze zich minder hoeven in te leven in het verhaal. Bij jongeren is dit nog volop in ontwikkeling. Dat is een reden waarom ze ook zo van ironie houden, aldus Crone.

Groepsdruk

In het boek gaat Crone ook in op groepsdruk. Allerlei experimenten laten zien dat adolescenten eerder zwichten voor groepsdruk en dat ze pas aan het eind van de adolescentie de autonomie ontwikkelen om zelfstandig beslissingen te nemen. Experimenten laten zien dat het beloningscentrum van jongeren sterker reageert als ze weten dat vrienden meekijken. Dit effect treedt zelfs op als ze in een MRI-scanner liggen terwijl ze hun vrienden niet kunnen zien maar weten of denken dat hun vrienden meekijken. Dit kan volgens Crone verklaren waarom jongeren ook meer risico’s nemen in de aanwezigheid van hun vrienden.

Uitblinken

In de epiloog doet Crone ook uitspraken over excellentie. Volgens haar zijn jongeren selectief lui; ze zijn vooral gericht op sociale uitdagingen als vrienden vormen, ontluikende verliefdheden en identiteitsvorming en dus minder met uitblinken in schoolprestaties. In dat licht pleit ze ervoor om de status bij het behalen van hoge cijfers positiever te maken, zoals dat bij bijvoorbeeld sportprestaties ook gebeurt. Crone:

“Ik heb hier geen kant-en-klare oplossingen voor, maar ik denk dat het belangrijk is het probleem op een andere manier te benaderen, namelijk vanuit de hoofden van pubers, niet alleen vanuit het oogpunt van wat volwassenen belangrijk en logisch vinden.”

Een inzicht dat ze in een interview in ons boek Over de Top ook uiteenzet. Die uitspraak geeft mooi weer hoe Crone redeneert: betrokken, positief over jongeren en tegelijkertijd voorzichtig. Geen sweeping statements, maar aanzetten waar de buitenwereld volop haar voordeel mee kan doen. Zoals ze in Trouw (6 juni 2012) zegt:

“Ik ben geen pedagoog, ik ben wetenschapper. Ik zet de deuren van de universiteit open en laat in mijn boeken zien: ‘Kijk eens wat voor coole nieuwe kennis we hebben opgedaan, en zie hoeveel interessante discussiepunten dit oplevert!”

Reacties

Klik hier om een reactie achter te laten
Delen via social of mail.