Flexibel Puberbrein

Eind juni schreven we op het YoungWorks Blog al over Eveline Crone’s nieuwe boek: het sociale brein van de puber. Onlangs verscheen in het september-issue van Nature een artikel van haar en de Amerikaanse hoogleraar Ronald Dahl, dat nog veel meer nieuwe insights geeft over het puberbrein: Understanding adolescence as a period of social-affective engagement and goal flexibility.

YoungWorks

Wie Crone’s nieuwe boek  ‘Het sociale brein van de puber’ al gelezen heeft, zal veel herkennen in het Nature-artikel. In dit wetenschappelijke tijdschrift gaat ze er dieper op in en wordt helder hoe zij en Dahl precies tot hun nieuwe inzichten zijn gekomen.

Geen onrijpe frontaalkwab

Crone en Dahl analyseerden de uitkomsten van 150 verschillende fMRI-studies die zijn uitgevoerd tussen 2001 en 2011. Op basis hiervan concluderen ze dat de verklaring van een ongerijpte frontaalkwab te simplistisch is. In diverse onderzoeken functioneert het cognitieve controlegebied (een verzamelterm van neuro-cognitieve processen die belangrijk zijn om korte en langetermijndoelen te bereiken) van jongeren namelijk heel goed. De crux is dat met name de frontaalkwab bij jongeren veel flexibeler is dan wetenschappers tot nu toe dachten. Het hangt namelijk van de context en de motivatie van de jongere zelf af hoe het brein reageert. Je kunt hierbij denken aan factoren als de aanwezigheid van peers, de instructie van een taak of het nut en belang dat het uitvoeren van de taak voor een jongere heeft.

Bij standaard cognitieve testjes, waarmee vooral kennis wordt getest, is de frontaalkwab bijvoorbeeld niet erg actief. Maar geef je jongeren een taak die ze nuttig vinden of waarvan ze denken dat het hen sociaal aanzien geeft, dan is die frontaalkwab wel degelijk actief betrokken. Ook maakt het uit of de taak in kwestie al dan niet emoties oproept. Jongeren reageren sterker dan volwassenen wanneer emoties in het spel zijn, danwel als sociale relaties op het spel staan, zoals bij sociale beoordeling en uitsluiting het geval is.

De opmerkelijke uitkomsten werden in de Volkskrant van 24 augustus jl. als volgt uitgelegd: “Pubers die zeggen dat ze hun huiswerk niet kunnen plannen en hun kamer niet kunnen opruimen, omdat ze nu eenmaal een ‘puberbrein’ hebben dat tot zulke dingen niet in staat is, kunnen dat excuus niet meer aanvoeren. Als ze er het nut van inzien, kan hun brein het prima aan.”

Meta-analyse

Het Nature-artikel bevat een interessante illustratie waarin zichtbaar wordt in welke hersendelen de gemeten activiteit toeneemt tijdens de adolescentie, wat betekent dat dat hersendeel meer betrokken is als de jongere ouder wordt, en in welke hersendelen deze gemeten activiteit juist afneemt met de leeftijd. Ook benoemen zij op sommige plekken ‘adolescent transition’, wat betekent dat adolescenten informatie soms zodanig anders verwerken dan kinderen of volwassenen, dat er geen vergelijking in de tijd te maken valt. Onderstaande illustratie uit het Nature-artikel toont hoe hersenactiviteit toe- of afneemt bij verschillende soorten taken; van werkgeheugen tot risico’s nemen of sociaal redeneren. Volgens Dahl en Crone hebben wetenschappers recent ook een Social Brain Network ontdekt, een netwerk van verschillende breindelen waaronder de mediale frontaalkwab en de tempopariëtale kwab.

FIGURE 1 | Meta-analysis of functional MRI studies in adolescents.

Onthutsend?

Een journalist van het Reformatorisch Dagblad (15 september 2012) noemde de uitkomsten onlangs ‘onthutsend, de omgekeerde boodschap van een paar jaar eerder’. Wat mij betreft leidt deze bijna anti-wetenschappelijke houding nergens toe.

Volgens mij geeft het artikel juist weer hoe ontzettend nieuw en interessant het hersenwetenschappelijk onderzoek op dit moment is en hoeveel we daar de komende jaren nog over gaan en willen leren. Daarbij zal het ene inzicht de volgende vraag weer genereren. Dahl en Crone concluderen zelf bijvoorbeeld dat een beter begrip nodig is van het effect van testosteron en andere hormonen op gedrag en functioneren van de hersenen tijdens de adolescentie.

Crone geeft in de Volkskrant aan dat ze zelf al langer vond dat het een ‘beetje simplistisch’ was. Ook ons viel het al regelmatig op hoe het hebben van een puberbrein soms bijna als excuus wordt ingezet. Door jongeren zelf, maar zeker ook door ouders of docenten. Dat kunnen ze toch niet, met hun onvolgroeide frontaalkwab? In die zin is dit onderzoek een mooie nuance.

De flexibiliteit van de frontaalkwab is nuttig, aldus de onderzoekers. Jongeren kunnen snel schakelen tussen informatie en trends en pikken allerlei nieuwe dingen snel op. Dit wordt ook wel verklaard doordat de ‘paden’, ofwel neurale verbindingen, in hun brein nog minder geplaveid zijn dan bij volwassenen. De ‘long range connectivity’ (de snelwegen in de hersenen) is nog in aanleg waardoor de hersenen minder vanuit automatismen reageren. Hierdoor vertonen pubers een variëteit aan uitkomsten, soms betere prestaties en soms slechtere prestaties. Maar zo concluderen Dahl en Crone ook, de adolescentie is de ideale ontwikkelingsperiode “to sculp the final connectivity patterns”. Een boodschap die goed aansluit bij ons recente boek Over de top (www.overdetop.nl), waarin we betogen hoe belangrijk het is dat jongeren hun talenten leren ontdekken en ontwikkelen.

Verder is het mooi hoe dit onderzoek de aandacht verlegt van louter biologie naar de context om jongeren heen en de almaar intrigerende vraag hoe ze gemotiveerd raken. Jongeren zijn niet lui, ze zijn selectief gemotiveerd. Hun brein is niet zozeer onaf; het is een creatieve innovatie- en leermachine met alle emotionele circuits gericht op nieuwe ervaringen en het aftasten van sociale contacten.

Wij gaan er de komende tijd zeker dieper in duiken. We zijn ook benieuwd naar jullie reacties.

Delen via social of mail.
Close

BLIJF OP DE HOOGTE

Ontvang net als 5.900 anderen maandelijks jongerentrends, inspiratie en nieuw werk in je mailbox.